Toekomstige collega

Wendy van Capelle

  • Van: Vituscollege Bussum

“Ik krijg wel eens de vraag: als je geen docent was geworden, wat was je dan gaan doen? Dan blijft het bij mij heel lang stil. Ik heb eigenlijk nooit een andere ambitie gehad dan voor de klas staan.” Wendy van Capelle werkt al twintig jaar in het onderwijs, waarvan achttien jaar op het Vituscollege in Bussum waar zij economie en bedrijfseconomie geeft.

“Van jongs af aan wilde ik juf worden. Ik heb nog getwijfeld of dat basisonderwijs of voorgezet onderwijs moest worden, maar op de middelbare school werd dat duidelijk. Toen lag de keuze voor mij nog tussen economie en wiskunde, want dat vond ik allebei leuke vakken. Economie bevat wel wiskundig werk maar wiskunde andersom geen economie, dus zo is mijn uiteindelijke keuze tot stand gekomen.”

Wendy haalde haar Bachelor (en later Master) of Education in algemene economie en bedrijfseconomie aan de Hogeschool van Amsterdam. “Ik heb gymnasium gedaan, maar daarna heel bewust voor het hbo gekozen omdat ik de praktijk in wilde. Wel met het idee: ik ga ooit ook nog een universitaire opleiding doen. Maar als je eenmaal in het onderwijs zit, gebeurt er zo veel, dus dat duurde even.”

Tijdens haar bachelor liep ze stage op OSG Echnaton in Almere. “Daar ging het heel hard. De bedoeling was eerst wat snuffelen en meekijken, maar binnen no time liep ik daar drie dagen in de week rond. Eerst onder begeleiding en toen steeds een stukje zelfstandiger. Dat was economie-gericht, maar ik gaf ook wiskunde en mondeling Duits en Engels. Ik heb echt heel veel mogen zien en doen en heel veel geleerd in korte tijd. Na twee jaar zei de opleiding: je loopt nu al twee jaar op dezelfde school rond, je moet ook iets anders zien. Toen ben ik naar mijn oude middelbare school, het Vituscollege gegaan. Zij hadden ruimte; ik ben eerst twee dagen in Almere gebleven en voor twee dagen hier in Bussum gestart. Toen Almere stopte, ben ik op het Vitus gebleven en niet meer weggegaan.”

Heel oprecht publiek
Is er veel veranderd in die twintig jaar? “Ja en nee. De maatschappij verandert, het onderwijs verandert, de jeugd verandert. We hebben net een zij-instromer aangenomen en die heeft vorige week een proefles gedaan. Hij vond het pittig en zei: Ik was die tijd gewend dat leerlingen gewoon zaten en luisterden. Nou dat is niet meer. Er zit veel meer dynamiek in zo’n klas. Maar ook in het onderwijs zelf. Economie en bedrijfseconomie hebben bijvoorbeeld een heel ander examenprogramma dan vroeger. Het onderwijs ontwikkelt zich. Daar ga je in mee en ik vind het ook leuk daaraan bij te dragen.

Het allerleukste aan het onderwijs vind ik het werken met leerlingen. Dat betekent niet dat ze altijd in het gelid lopen en makkelijk zijn. Maar het is wel heel oprecht publiek. Je krijgt rechttoe rechtaan te horen wat ze ervan vinden. Dat kan heel negatief en ook heel positief zijn. Maar als je authentiek blijft en in alle oprechtheid het gesprek aangaat, gaat dat wel oké. Ik ga altijd met zin naar mijn werk. Heel soms stap ik wel eens uit m’n bed met het gevoel: pfff vandaag even niet. Maar als ik vijf minuten voor de klas sta, is dat over. Wat is lastig aan dit werk? Er zitten veel randzaken bij. Veel vergaderingen. Dingen gaan stroperig. Dat is niet mijn natuur. Ik hou van korte klappen en lekker doorgaan. Dat is wel eens ingewikkeld.”

Geschikt voor het onderwijs?
“Voor zij-instromers, zeker als ze uit de commerciële sector komen, kan het pappen en nathouden wat het onderwijs wel kent, frustrerend zijn. Anderzijds had ik een collega die ook de overstap heeft gemaakt en die onder de indruk was hoe wij als collega’s met elkaar omgaan. Warm, zorgzaam, met aandacht voor elkaar. Wij werken met mensen. Met alle ongemakken en moeilijkheden én alle mooie dingen die mensen met zich meebrengen.
Een beetje gevoel voor humor helpt. Zodat je kunt relativeren en de lucht erin houdt. Zeker met pubers is dat geen overbodige luxe. Je moet ook niet te snel van slag raken. Er komt van dertig man input op je af en dat zijn heel veel prikkels. Daar moet je tegen kunnen. Dat is heel intensief. Je moet ook enorm kunnen multitasken. Er gebeurt heel veel tegelijk in een klas. Als je graag je werk rustig en gestructureerd wilt kunnen uitvoeren, is een lokaal met dertig pubers niet de goede plek.”

Zij-instromers kunnen mooie aanvulling zijn
“Ik ben opgegroeid met ouders met een eigen bouwbedrijf. Ik heb dus van dichtbij vrij veel meegekregen van alle economische perikelen, tot een overname aan toe. Maar wat praktijkervaring betreft kan ik minder vertellen dan collega’s die vanuit het bedrijfsleven zijn overgestapt naar docent economie. Mensen die vanaf de start lesgeven en mensen die de overstap hebben gemaakt, vullen elkaar in onze sectie daarin aan. We zoeken daarnaast zelf ook de praktijk op door bij bedrijven op bezoek te gaan en gastsprekers uit te nodigen.
Als ik moet kiezen tussen een zij-instromer, of een collega die het hele pedagogisch didactische traject heeft gedaan, heb ik geen voorkeur. Ik wil het liefst iemand met ervaring. Een zij-instromer vers van de pers is voor ons toch een gok, maar iemand net uit de schoolbanken ook. Omdat bij beiden de ervaring ontbreekt. Maar ja die ervaring moeten ze ook ergens op kunnen doen. Onderwijs leer je in de praktijk, voor de klas. Iedereen die de stap wil maken en zijn rol hierin kan vinden, is hartstikke welkom.”

Spin in het web
“Wij hebben onze onderwijsgevende taak. Maar daarnaast moet er natuurlijk nog veel meer gebeuren. Ik heb collega’s die leerlingencoördinator zijn, collega’s die decaan zijn. De functie examensecretaris zat heel lang bij de afdelingsleiders in, maar toen alle regelgeving aangescherpt is, is er ook ingesteld dat scholen een examencommissie en -secretaris moeten hebben. Ik ben nu dus ook examensecretaris. In die rol houd ik me bezig met alles wat in de bovenbouw met toetsing en de eindexamens te maken heeft. In samenwerking met het roosterteam en de administratie zorg ik ervoor dat alle cijfers compleet zijn, dat we aan wet- en regelgeving voldoen. In de vacature stond: ‘spin in het web’ en dat is het ook echt. Ik zit nu veel meer ín de organisatie. Ik heb meer contact met alle leerlingen en met andere scholen, wat heel leuk is. Het enige vervelende stukje is dat er ook soms straf gegeven moet worden. Dat doen we zeer weloverwogen, maar dat komt bij het thuisfront niet altijd zo over.”

Wendy heeft in 2019 haar Master of Science in onderwijswetenschappen gehaald. “Ik vond het heel leuk om te doen, met name om mezelf te testen kan ik dit ook? Niet met een carrièregericht plan. Ik heb indertijd heel bewust gekozen voor het hbo, maar wel altijd gedacht: hoe zou ik het wo vinden? De belangrijkste conclusie was dat ik op mijn achttiende de goede keuze heb gemaakt. En deze wo-master heeft mijn kennis en achtergrond versterkt. Ik zit nu dus net iets beter in de theorie, maar geef met dezelfde passie les als voor die tijd. Er wordt me weleens gevraagd: is de Inspectie van het Onderwijs niks voor jou? Ik heb tegenwoordig als examensecretaris veel contact met ze. Ik vind het een fantastische organisatie, maar laat mij maar lekker voor de klas staan.”

Mieke Staal

Mieke Staal studeerde af aan de Academie Mens & Arbeid in de richting ‘personeel en arbeid’. Bijna tien jaar was ze binnen dat werkveld actief, met name in de re-integratie van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Tot het vercommercialiseren van die sector ervoor zorgde dat ze dacht: ik moet hier weg! Ze maakte de overstap naar het onderwijs. Daar rijgt ze verschillende onderwijskundige rollen aan elkaar, met als rode draad: trainen, coachen en begeleiden van jonge en volwassen mensen.

Joey Soumokil

Als kind wilde Joey Soumokil piloot worden, maar door zijn beperkte zicht bleef dat helaas een jongensdroom. Rechter leek hem ook een mooi beroep. De wereld veranderen en met name opkomen voor kinderrechten. Na het vwo werd het dan ook rechten. De studie was interessant, maar hij liep persoonlijk tegen blokkades aan waardoor het niet werkte. Hij maakte de switch naar een andere studie. En daarna nog een keer. Toen dat ook niet tot het gewenste resultaat leidde, trok hij de conclusie: ‘studeren is niets voor mij’.

Dilek Tekin

Dilek Tekin wist van jongs af aan dat ze leraar wilde worden. “Op de basisschool vond ik rekenen heel leuk en later wiskunde. Ik was er ook goed in. Aan de Selçuk Universiteit in Turkije heb ik in vier jaar een studie tot leraar wiskunde gedaan. Daarna heb ik twintig jaar lesgegeven aan middelbare scholieren.”

Marisa Debisarun

“Ik heb eerst theologie gestudeerd aan het hbo om mijn propedeuse te halen. Daarna ben ik geschiedenis gaan doen aan de universiteit. Mijn interesse lag daar en ik wilde me er graag verder in verdiepen. Ik dacht: ik zie tijdens de studie wel welke kant het opgaat. Mark Rutte heeft ook geschiedenis gestudeerd, dus je weet nooit waar je eindigt. Ik doe gewoon wat ik leuk vind.”

Patriek Kerkhoff

Patriek Kerkhoff (52) werkt na zijn studie politicologie lange tijd bij Defensie. Daarna is hij wethouder in Laren en bekleedt hij verschillende financieel-economische functies. Drie jaar geleden besluit Patriek de overstap te maken naar het voortgezet onderwijs. Per toeval krijgt hij zijn oude middelbare school in Huizen als stageplaats aangewezen. Inmiddels staat hij voor het tweede jaar daar op de Huizermaat als docent economie en bedrijfseconomie voor de klas.

Rianne Brunt

Als zij-instromer docent worden in het middelbaar onderwijs, hoe is dat? 'Ik vond Wiskunde altijd al een leuk vak: lekker puzzelen en rekenen.' Hoewel Rianne Brunt geologie studeerde en een aantal jaar bij zowel TNO als een oliemaatschappij werkte, staat ze nu alweer een tijdje op het Goois Lyceum als docent wiskunde voor de klas.

Arjen Bezemer

Als zij-instromer docent worden in het voorgezet onderwijs, hoe is dat? Arjen Bezemer studeerde Luchtvaart- en Ruimtevaarttechniek aan de TU Delft. Hij deed daarna onderzoek, werkte in de technische documentatie en was geruime tijd IT-consultant. Totdat hij drie jaar geleden besloot het onderwijs in te gaan en wiskundedocent werd. Sinds augustus 2021 geeft hij les op het Gemeentelijk Gymnasium Hilversum (GGH). Wat was voor jou de reden om over te stappen naar het onderwijs? “Mijn kinderen zaten op de middelbare school en ik vond het heel leuk om te zien waar ze mee bezig waren en ze daarmee te helpen. Dat triggerde mij enorm. Wat ook meespeelde was de branche waar ik toen in werkte. Automatisering resulteert over het algemeen in het verdwijnen van banen. Op een gegeven moment dacht ik: ‘Is dit nou de bijdrage die ik aan de maatschappij wil leveren?’ Dus dat speelde ook mee en mijn beide ouders hebben in het onderwijs gezeten. Daar heb ik in de genen denk ik ook wat van meegekregen.” In 2019 startte Arjen op het Revius Lyceum in Doorn, die een aantrekkelijke regeling hadden voor zij-instromers. “Ik kreeg een aanstelling van 0,6 FTE en volgde daarnaast in deeltijd de opleiding tot docent Wiskunde. Het eerste jaar heb ik anderhalve klas lesgegeven en mijn tweedegraads bevoegdheid gehaald. Het tweede jaar gaf ik drie klassen les en behaalde daarnaast mijn eerstegraads bevoegdheid.” Hoe heb jij de urenbelasting van de studie ervaren? “Op deze manier was dit voor mij uitstekend te doen. Maar ik heb een collega die nu zijn eerstegraads bevoegdheid wil halen naast zijn fulltimebaan in het onderwijs. Die maakt echt wel enorm lange weken.” Waarvan heb je tijdens de opleiding het meest geleerd? “De begeleiding vanuit de school was voor mij het waardevolst. Ik had een heel goede tweedegraads begeleider die mij heel veel inspiratie gaf. Ik leerde hoe ik lessen moest voorbereiden en insteken en dat het heel goed werkt om soms de dingen eens helemaal anders te doen. Alternatieve lesplannen maken dus. Dat je direct feedback krijgt op wat je staat te doen voor de klas, vond ik ook fijn.” Wat vind je het moeilijkst aan het vak van docent? “Ik vind de werkdruk best fors. Naast het lesgeven, komt er zoveel meer bij kijken: contactmomenten met mentoren, coördinatoren en leerlingen. De algemene taken die je hebt op een school, daarnaast lessen voorbereiden, toets momenten, nakijken. Omdat ik nieuw ben op het GGH moest ik mijn lesprogramma ook grotendeels opnieuw ontwikkelen. Dat kost ook veel tijd. Daarnaast is klassenmanagement soms uitdagend. Dat de sfeer goed is in de klas; iedereen oplet. Het is af en toe hard werken om de aandacht te krijgen die je wilt hebben” Wat vind je het leukste aan je werk? “Als een les lekker loopt, je leuke reacties krijgt of goede vragen. Dat geeft een goed gevoel. Dat je merkt: het sluit aan, het pakt ze. De sfeer op school is ook goed en ik heb leuke collega’s.” Heb je nu het gevoel dat je iets bijdraagt aan de maatschappij? Lachend: “Wiskunde is natuurlijk een beetje een raar vak. Ik krijg heel vaak de vraag: meneer, wat kunnen we hier nou later mee? Daar heb ik niet zomaar een antwoord op. Het gaat om leren abstract denken, maar dat is voor jongeren een erg vaag begrip wat je ook niet makkelijk kunt meten. Maar als ik een hele lessenserie een bepaald onderwerp benadruk en ik zie daar 90 procent van terug in de toetsen: dan is dat heel mooi. Als ze bepaalde dingen oppikken en overnemen, zie je dat je impact hebt. Daarnaast gaat het natuurlijk niet altijd over wiskunde. Je voert met leerlingen ook gesprekken over andere onderwerpen. Uiteindelijk zou ik daar naast het vak van wiskundedocent ook wel meer mee willen. Bijvoorbeeld als mentor.” Hoe hoop je dat je leerlingen je later herinneren? “Voor een vak als dit kies je omdat je een inspirerend voorbeeld had. Ik had voor Wiskunde B een docent die heel helder kon uitleggen en heel bevlogen was. Hij haalde er van alles bij. De eerste keer dat hij het getal π behandelde, had hij het hele lokaal behangen met dingen die daarmee te maken hadden. ‘Welkom in de wereld van π!’ stond er. Hij bouwde ook altijd van alles en nog wat. Dat zie ik mezelf dan weer niet doen. Ik hoop dat mijn leerlingen in ieder geval later zeggen: Meneer Bezemer kon het allemaal heel goed uitleggen.” Wat is jouw advies aan mensen die erover denken om als zij-instromer het voorgezet onderwijs in te gaan? “Je moet er echt wel een beetje lol in hebben om met jongeren van deze leeftijdsgroep om te gaan. Je verdiepen in wat hen bezighoudt. Een grapje met ze kunnen maken. Dat gaat de ene keer makkelijker dan de andere keer. En daar moet je ook tegen kunnen.” Is er een groot verschil in salaris tussen je vorige banen en nu? “Ik vind dat het voortgezet onderwijs helemaal niet zo slecht betaald. Ja, ik heb nu een forse stap teruggedaan, dat is gewoon zo. Want ik ben onervaren en begin dus onderaan. Maar als ik meer ervaring krijg en mezelf kan bewijzen, kan ik doorgroeien naar een hogere schaal. Als ik uiteindelijk een beetje bovenin eindig, zit ik ruim boven het salaris dat ik verdiende als consultant.” Begin dit jaar ben je overgestapt van Doorn naar Hilversum, waarom? “Dat was in principe het idee van het zijinstroomtraject dat ik volgde. Na twee jaar moest je je vleugels elders uitslaan. Misschien was er ook wel een mogelijkheid geweest om te blijven, maar daar heb ik niet op gewacht en ben om me heen gaan kijken. Zo ben ik op het GGH terecht gekomen. Dat bevalt heel goed. Ik woon in Utrecht, dus het is voor mij ook nog eens stukken beter te bereizen dan Doorn.” Denk jij ook wel eens over een carrière als zij-instromer in het (voortgezet) onderwijs? Wil je weten wat de mogelijkheden zijn en of het echt iets voor jou is? Geef je hier op voor de info bijeenkomst over werken in het voortgezet onderwijs of lees alles over werken in het primair, voortgezet en speciaal onderwijs en op het MBO, op www.leraarinhetgooi.nl.

Marijke Koets

Als zij-instromer het voortgezet onderwijs in, hoe is dat? Marijke Koets haalde haar master Engelse taal- en letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam en studeerde cum laude af. Vervolgens ging haar loopbaan jarenlang een heel andere kant op om uiteindelijk toch uit te komen bij het vak van docent Engels. “Na mijn studie wist ik niet echt wat ik wilde en ben ik min of meer per toeval de communicatie ingerold. Eerst bij een pr-bureau en daarna heel lang bij de gemeente Amsterdam. Na nog een paar andere communicatiebanen ben ik op een gegeven moment de lokale politiek in gegaan. Ik kwam in de gemeenteraad en dat was toen voor lange tijd mijn werk.” Hoe kwam het onderwijs toen op je pad? “Ik had een paar keer in gesprekken laten vallen dat ik misschien wel voor de klas wilde staan. Een goede kennis had dat onthouden en stuurde mij een mailtje door van het Gemeentelijk Gymnasium Hilversum (GGH): ´Kent u iemand in uw netwerk die Engels kan geven? Wij zijn met spoed op zoek naar een invaller’. Ik dacht: dat lijkt me heel leuk, maar ik kan nu natuurlijk nog niet voor de klas staan. Dus ik stuurde een mailtje naar de conrector: ‘Ik kan je nu nog niet uit de brand helpen, maar ik maak graag een afspraak voor een oriënterend gesprek, want ik denk na over het zij-instroomtraject. 48 uur later was ik de nieuwe docent Engels.” Begon je toen ook direct aan de studie voor je onderwijsbevoegdheid? Hard lachend: “Nee joh! Ze zaten zo ontzettend omhoog. En ze dachten waarschijnlijk: ze heeft in ieder geval Engels gestudeerd, ze lijkt heel normaal en heeft haar Verklaring Omtrent Gedrag ooit gekregen, dus go! Ik heb een aantal klassen waargenomen tot het eind van het schooljaar. Ik wil niet zeggen dat het fantastisch ging, maar er zijn geen grote ongelukken gebeurd.” En toen was je verkocht? “Ik vond het ontzettend leuk! Ik heb ook wel enorm hard moeten werken om te leren hoe je elementaire kennis overbrengt. Want ik kan wel super Engels spreken en cum laude zijn afgestudeerd, maar leg maar eens uit waarom iets grammaticaal zo zit. Dat wist ik gewoon niet. Dus ik heb weer heel veel boeken gelezen en alles uitgeplozen. Hoe meer ik erin kwam en hoe meer ik ging begrijpen over lesgeven; hoe leuker het werd.” Uiteindelijk ben je op het GGH gebleven “Ja, in januari 2015 ben ik begonnen aan de eerstegraadsopleiding aan de Universiteit van Amsterdam. Dat heb ik parttime in anderhalf jaar behaald, naast mijn baan als docent. Daar zal ik geen doekjes omwinden: dat vond ik echt ontzettend zwaar! Ik heb een gezin, mijn kinderen waren toen ook nog klein. En dan een baan en een studie ernaast. Ik vond het pittig.” Wat vind je het leukste aan je baan van docent? “Mijn hart ligt bij de bovenbouw en zeker bij de klassen 5 en 6. Die leerlingen staan op de drempel van de volwassenheid. Dat is een heel mooie leeftijd. Ik ben ook mentor en dan kun je echt wel het verschil maken. Afgelopen week was heel spannend, want de uitslagen van de studie selectieprocedures kwamen binnen. Ik kreeg om 8 uur ‘s morgens al appjes: mevrouw! Ik ben binnen! Dat vind ik zo ontwapenend. Dat ze mij meenemen in dezelfde lichting als hun opa’s en oma’s en iedereen die ze willen vertellen dat het ze gelukt is. Die betrokkenheid bij het werk zelf heb ik in andere banen nooit zo gevoeld. Dat geeft ontzettend veel voldoening.” Wat vind je minder leuk aan werken in het onderwijs? “Ik heb hard gewerkt voordat ik docent werd, maar dat is niet te vergelijken met het onderwijs.

Pieter Mijnhout

Als zij-instromer docent worden op een middelbare school, hoe is dat? “Als je een uitdagende opdracht geeft aan je leerlingen en het lukt ze om die op te lossen. Dan zie je de blijdschap en de trots op zichzelf. Dat vind ik zo ontzettend waardevol.” Pieter Mijnhout zat ooit zelf op het Alberdingk Thijm College (ATC) in Hilversum en geeft er nu wiskunde aan de onderbouw. Daarnaast studeert hij aan de Hogeschool van Amsterdam om zijn tweedegraads onderwijsbevoegdheid te halen. Vind je het zwaar om te werken en studeren tegelijk? “Het fijne van het zij-instroomtraject is dat je het zelf een beetje kunt indelen. Er is natuurlijk een rooster met de vakken die je moet halen en ze maken een traject op maat op basis van het geschiktheidsonderzoek*). Daarbij wordt gekeken welke kennis je nog nodig hebt. Bij mij waren dat vooral de vakdidactische en pedagogische vakken. Ik heb dat echt uitgesmeerd over de twee jaar die er maximaal voor staan. Ik sta drie dagen in de week voor de klas, besteed één dag in de week aan mijn studie en heb dan één dag in de week voor uitloop van mijn studie of werk. Je kunt bij school aangeven hoeveel je wilt werken en bij de opleiding hoeveel vakken je tegelijk wilt volgen en daar moet je je eigen weg in vinden. Voor mij werkt dit het beste.” Hoe kwam je erbij om het onderwijs in te gaan? “Ik heb biotechnologie gestudeerd in Wageningen. Een bachelor en een master gedaan. Ik vond het echt heel leuk, dus ben daarna ook voor een biotech bedrijf gaan werken. Maar na anderhalf jaar kwam ik erachter dat ik het niet betekenisvol vond. Ik stond in een lab en deed onderzoek naar eiwitten. Op een gegeven moment kon ik alleen nog maar denken: wat doe ik hier? Dan is het tijd om iets anders te gaan zoeken. Toen heb ik mijn oude wiskundedocent op het ATC gemaild en gevraagd of ik eens met hem mee mocht lopen. Dat vond ik ontzettend leuk en ik kreeg er zoveel energie van dat ik met de conrecor ben gaan praten. Die gaf mij het vertrouwen om als docent te gaan starten. Het ATC heeft ook een begeleider die de zij-instromers onder zijn hoede neemt en uitlegt hoe het traject dan verder gaat.” En toen stond je ineens voor de klas? “In september 2020 ben ik begonnen. Ik ben best in het diepe gegooid, maar het vertrouwen dat ze mij daarmee gaven, vond ik heel fijn. Tegelijkertijd moest ik dus het geschiktheidsonderzoek doen, een portfolio schrijven met bewijsstukken enzovoort. Daarmee moet je aantonen dat je binnen twee jaar het traject zou kunnen voltooien. Dat lukte en in februari 2021 ben ik begonnen met de studie om mijn tweedegraadsbevoegdheid te halen. Daarmee kan ik lesgeven aan de onderbouw”. Weet je nog hoe je eerste dag was? “Ik was wel zenuwachtig. Vooral voor die allereerste les. Het scheelde dat het een brugklas was. Die kinderen waren net zo zenuwachtig als ik, want voor hen wat het ook allemaal nieuw op de middelbare school. Toen ik zei dat het mijn eerste dag als docent was, vonden we elkaar daar dus een beetje in. Als zo’n eerste les dan gewoon goed gaat, kun je die werkwijze toepassen op de volgende lessen. Het viel me al met al dus erg mee.” Wat leer jij nu met name tijdens je opleiding? “Ik leer bewuster te zijn van de dingen die ik doe. Als ik lesbezoek kreeg van de begeleider van school, kreeg ik vaak wel te horen dat ik het goed deed. Ik was me er alleen niet echt bewust van wat ik dan goed deed. Ik was niet theoretisch onderlegd. Een ander ding zijn de didactische werkvormen. Leerlingen niet alleen sommetjes uit een boek laten maken, maar ook andere manieren van lesgeven toepassen. Daar prikkel je ze mee en dat bevordert het leren.” Wat vind je lastig aan het vak van docent? “Genoeg tijd vinden om iedereen op een individuele manier te ondersteunen. Sowieso heb je niveauverschillen in een klas. Iedereen heeft een andere leerbehoefte. Daar kun je dan groepjes voor maken met leerlingen die meer uitleg nodig hebben en leerlingen die juist meer uitdaging nodig hebben. Maar is een leerling bijvoorbeeld langere tijd ziek, wat in de corona tijd veel gebeurde, moet je die er ook op de een of andere manier weer bij betrekken. En wiskunde is een vak waarbij je iedere keer verder bouwt op het voorgaande. Dan is het lastig om zowel de groepjes te bedienen die al daar zijn waar ze behoren te zijn en ook degenen die achterlopen. Waarvan de een dan ook nog eens meer achterloopt dan de ander. Dan zeg ik toch snel: blijf even hangen na de les, dan leg ik het nog een keer rustig uit.” Wat is jouw advies aan mensen die docent willen worden? Wat moet je kunnen of in je hebben? “Je moet een groot verantwoordelijkheidsgevoel hebben. De hele klas is afhankelijk van jou. Je moet jezelf ook kunnen afschermen op een bepaalde manier. Op een school is namelijk oneindig veel werk en je kunt oneindig veel uren stoppen in leerlingen, maar dat gaat natuurlijk niet. Daar moet je jezelf niet in verliezen. En je moet niet te perfectionistisch zijn. Geen enkele les is perfect. Er komt altijd iets tussendoor. Ik plan mijn lessen natuurlijk van tevoren, maar doe dat bewust niet te strak. Je moet als docent echt flexibel zijn.” Je hebt zelf op het ATC gezeten, was het toen anders dan nu? “Ik vind de sfeer eigenlijk niet veranderd. De school is de afgelopen tien jaar wel heel erg gegroeid. We hebben nu vier onderwijsgebouwen. Sommige collega’s van de wiskundesectie zie ik daarom maar drie keer per jaar bij de studiedagen of een meeting. Dat is soms wel jammer.” Wat vind jij het grootste verschil tussen het bedrijfsleven en het onderwijs? “In het bedrijfsleven gaat het om het product en in het onderwijs om de ontwikkeling. Natuurlijk werken wij uiteindelijk ook toe naar een diploma, maar er zijn meerdere wegen die daar naartoe kunnen leiden. En de leerling staat daarbij centraal.” *) Als je je bevoegdheid wilt halen via het zij-instroomtraject, kan dat alleen als je een aanstelling hebt als docent op een school én als je door het assessmentcentrum van de lerarenopleiding geschikt bevonden wordt om als ‘zij-instromer in het beroep’ aan de slag te gaan. Dat wordt bepaald met behulp van een geschiktheidsonderzoek.